
Aan de westkust van Ierland, dus aan de Atlantische zijde, liggen in de baai van Galway drie eilandjes: van west naar oost Inishmoor (veruit het grootste eiland), Inishmaan en Inisheer. De eilanden zijn zeer rotsachtig en op sommige plaatsen rijzen de rotsen wel 25 meter recht uit zee omhoog. Het uiterlijk van de eilanden is gevormd in de Late IJstijd. Door het rotsachtige oppervlak groeien er geen bomen. Landbouwgrond werd van oorsprong verkregen door met losse stenen muurtjes te maken en het zo afgebakende stuk rots werd bedekt met een mengsel van zeewier en zand, waar na een tijd wat gras op wilde groeien en aardappelen werden geteeld. Aardappel- en veeteelt vormden, naast de visserij, de enige economische activiteit op de Aran-eilanden.
breitechniek zijn behoorlijk recent: boeken van Gladys Thomson (1975), Shelagh Hollingworth (1982) en onderzoek van de Duitser Heinz Edgar Kiewe, gepubliceerd in 1971. Hieruit komt het volgende beeld van een Aran-trui naar voren: een schipperstrui, gebreid van lokaal gesponnen, ongewassen wol van iets dikker dan DK-dikte, voorzien van complexe, driedimensionale, verticale motieven als kabels, ruiten en diamanten. Het basisontwerp bestaat uit een groot, verticaal paneel in het midden, symmetrisch geflankeerd door kabels aan weerszijden. De wol is traditioneel ongeverfd en dus crèmekleurig, in Iers ‘bainin’ genoemd. Opvallend is dat, in tegenstelling tot veel andere truien van de Britse eilanden, Aran-truien niet rond-, maar platgebreid worden (dus met twee eenpuntige breinaalden).
meer ontkenningen van het ‘onderzoek’ van Kiewe tegen. Er bestaat een foto uit ongeveer 1910 van vier mannen van Aran in traditionele kleding van die tijd. De mannen dragen wel degelijk schipperstruien, maar zeker niet wat we tegenwoordig als Aran-truien zouden herkennen; het zijn meer ganseys, waarschijnlijk van de Schotse eilanden, duidelijk een commercieel ontwerp, want enkele hebben hetzelfde model. Aannemelijk is dus dat deze truien gekocht zijn en afkomstig van overzee, dus niet gebreid op Aran door een liefhebbende echtgenote. Ook op andere filmbeelden van Aran uit de jaren ’50, ’60 en ’70 zie ik geen schippers die Aran-truien dragen. Hoe kan dat?
Bedenkt u nog even dat er geen oude schriftelijke bronnen bestaan over de Aran-breitraditie. Hoe Heinz Edgar Kiewe zijn onderzoek verricht heeft is niet duidelijk, maar hij is in ieder geval nooit op de Arans geweest. Over de bronnen van zijn onderzoek is niets bekend, waardoor het in wetenschappelijke kringen niet serieus wordt genomen. Zijn verwijzing naar het Book of Kells als oudste ‘bewijs’ dat er al heel lang Aran-breiwerk bestaat is uiterst discutabel. Hij verwees concreet naar de openingspagina van het evangelie van Marcus, waar linksboven een man in een gebreid tuniek in Aran-stijl afgebeeld is. Wanneer u de afbeelding hiernaast vergroot ziet u inderdaad een man in een tuniek, maar nergens valt uit af te leiden dat de patronen niet geborduurd, geappliceerd, bedrukt, geweven of eventueel gebreid zijn. Bovendien zijn dit geen Aran-patronen, maar Keltische. Er is immers een duidelijk onderscheid tussen deze twee: Aran-patronen lopen recht door tot de rand van het oppervlak, Keltische patronen zijn altijd afgerond; ze hebben een duidelijk einde of het einde gaat naadloos weer over in het begin (zie het artikel over Keltische patronen op deze weblog). Kiewe had overigens een goede reden om het Aran-breiwerk te mythologiseren: in de veertiger jaren organiseerde hij als een van de eersten de grootschalige productie van Aran-truien. Ze werden op de Schotse eilanden gebreid, omdat er te weinig breisters waren in Ierland zelf.
Over de herkenbaarheid van de slachtoffers van de woeste zee aan de hand van het breisel van hun trui bestaat overigens ook geen enkele schriftelijke bewijsvoering. Er is waarschijnlijk nooit een dode schipper met een Aran-trui aan gevonden, al was het maar omdat Aran-schippers geen Aran-truien droegen. In oudere tijden droegen de mannen van Aran kleding van geweven stof in de natuurlijke wolkleur, indigo geverfd of grijze flannel, geweven met afwisselend natuurlijke en indigo-geverfde wol. In de film Man of Aran is een paar seconden een vrouw te zien die breit: ze breit een sok.
De beste manier om de geschiedenis van een bepaalde kledingstijl te bestuderen, wanneer schriftelijke bronnen ontbreken, is aan de hand van de kledingstukken zelf. In het National Museum of Ireland bevinden zich enkele Aran-truien, welke uitgebreid bestudeerd en beschreven zijn door de bekende Schotse auteur van breiboeken Alice Starmore (in haar boek Aran Knitting). De Aran-truien in dit museum zijn hoogstwaarschijnlijk niet ouder dan de dertiger jaren van de vorige eeuw; de oudste donatie is van 1937. De herkomst (de naam van de maakster) van deze truien is in alle gevallen onbekend. Overeenkomst van alle onderzochte truien is dat ze (zo goed als) ongedragen zijn en dat ze gebreid zijn van gewassen wol (in tegenstelling tot wat de traditie voorschrijft). Het is onaannemelijk dat ongedragen truien vaak gewassen zijn, waardoor het natuurlijke vet van de wol verdwenen zou zijn. Aannemelijk is dus dat ze van gewassen garen gebreid zijn. De twee vermoedelijk oudste truien zijn geheel of deels rondgebreid, de andere platgebreid.
elkaar patronen en technieken uitwisselt, zal dat toen niet anders geweest zijn. Ongetwijfeld hebben de bewoonsters van de Aran-eilanden, waar tot dan slechts sokken werden gebreid, veel opgestoken van de dames uit Schotland en Donegal. Hoe zich uiteindelijk de typische Aran-stijl heeft ontwikkeld zal wel altijd in de mist van de geschiedenis verborgen blijven. Schriftelijke bronnen tonen echter aan dat het omslagpunt van gekopieerde Schotse ganseys naar de Aran-stijl zoals we die nu kennen, rond 1946 moet liggen. Dat slimme marketeers, waaronder Kiewe zelf, daarna met gebruikmaking van diens mythe over de eeuwenoude Aran-breitraditie, aan de haal zijn gegaan en op het vasteland van Ierland en op de Schotse eilanden een industrie van Aran-truien en -vesten hebben opgezet is inmiddels wel duidelijk. Ongetwijfeld hebben de breisters op de arme Aran-eilanden, het zullen er niet meer dan 200-300 geweest zijn, een graantje meegepikt, maar de kans dat u ooit een trui afkomstig van de Aran-eilanden in uw handen zult houden is uiterst minimaal.
In die zin is dit een beetje een teleurstellend verhaal geworden: de Aran-breitraditie is niet eeuwenoud, ze zijn zelden als schipperstrui gebruikt en de meeste Aran-truien komen niet van de Arans. Desalniettemin blijft de Aran-breitechniek een mooie breitechniek waar u prachtige truien en vesten mee kunt maken. Het goede nieuws is bovendien dat, ondanks het complex ogende eindresultaat, deze techniek eenvoudig te leren is wanneer u al een beetje brei-ervaring hebt. En bij een traditie die eigenlijk nog relatief kort bestaat, is er geen reden waarom u een Aran-trui voor uzelf of uw naaste niet zou rondbreien. Ikzelf ben in ieder geval zeer tevreden met mijn favoriete, rondgebreide Aran-trui, hiernaast afgebeeld.
In Thailand, en meer nog in Myanmar en Laos, leven veel etnische minderheden die hun eigen taal, cultuur en gebruiken kennen. De Karen, die door de Thais Kariang worden genoemd, zijn de grootste bergstam in Thailand. Ze zijn onderling weer verdeeld in diverse stammen, waarvan er één is die u vast wel kent: de langnek-Karen of Padaung. De vrouwen van deze stam dragen om hun hals een groot aantal koperen ringen waardoor ze een langere nek krijgen, vandaar de (bij)naam. De Karen spreken een taal uit de Tibeto-Birmaanse taalgroep en hangen voornamelijk een animistisch geloof aan, een geloof in geesten, die bijvoorbeeld verbonden zijn aan de grond, aan planten, dieren of voorouders.
De tas is meestal gemaakt van twee delen handgeweven stof: één deel voor de schouderband en zijkant van de tas, een tweede deel voor de voor- en achterkant. De tas kan in veel kleuren uitgevoerd zijn, meestal pastelkleuren. Verder komt men donkerblauw, donkerrood, bruintinten en oranje tegen. De patronen zijn meestal geometrisch: driehoeken, vierkanten, sterren en dergelijke. Vaak is de onderkant met kralen versierd.
‘Onze’ schoudertas is uitgevoerd in een oranje stof van geweven hennep, wat een gebruikelijk materiaal is in deze streken. De tas wordt gesloten door een grote ronde, zilveren knoop aan de voorkant door een lus die aan de achterkant vastzit. Op de ondergrond aan de voorkant is een stuk oranje borduurstof vastgezet, geborduurd met kruissteken in geometrische patronen in oranje, bruin en groen.
Karen-schoudertassen zijn traditioneel gemaakt van handgeweven stof, terwijl deze tas dus geborduurd is. De Karen staan bekend om hun prachtige weefsels, maar ze borduren niet. Met deze tas is dus iets vreemds aan de hand. Het zijn met name de Yao (ook wel Mien genoemd) die bekend zijn om hun fraaie borduurwerk, maar het Yao-borduurwerk ziet er heel anders uit; vergelijkt u het maar eens met de Yao-tas die hiernaast is afgebeeld: heel andere patronen en de typische Yao-kleuren blauw, geel en groen.
Wat overeind blijft is dat we het een mooie tas vonden en hem hebben meegenomen. We hebben een teltekening gemaakt van het fraaie borduurwerk, met opgave van DMC-kleurnummers, alhoewel het borduurwerk is gemaakt met een lokaal garen, dat dikker is dan een DMC-draad. We raden daarom aan om de tas met twee draden op een 11-draads aftelbare stof te borduren (bijvoorbeeld Jobelin).

Centraal-Azië is een gebied ruwweg tussen het noorden van Iran en het westen van China. Alhoewel de definitie van het gebied varieert, gaat men over het algemeen uit van de landen die op ‘stan’ eindigen: Kazachstan, Kirgizstan, Tadzjikistan, Turkmenistan en Oezbekistan, alle voormalige Sovjet-republieken. Het gebied is niet erg geschikt voor landbouw – het bestaat voornamelijk uit bergen, steppen en woestijnen – en wordt al duizenden jaren doorkruist door herdersvolken, op zoek naar graasgebieden voor hun kudden. Daarnaast is het een kruispunt van diverse culturen met eeuwenoude handelsroutes, bekend onder de naam zijderoute. Met iedereen altijd onderweg was het belangrijk dat alle benodigdheden voor het dagelijkse leven makkelijk vervoerd konden worden, verpakt in tassen en stoffen. Door deze behoefte ontstond hier al vroeg een textielindustrie.
De ikat-stoffen werden in de regel in een combinatie van zijde en katoen geweven, waarbij de ketting van ikat-gekleurde zijde was en de inslag van een monochrome katoen. Hieraan ligt een islamitische motivatie ten grondslag: men gaf er de voorkeur aan dat de huid voornamelijk met de katoen in contact kwam in plaats van met de zijde, waarvan men de aanraking te sensueel achtte. Het ontwerp van de stoffen werd in heldere kleuren uitgevoerd: roze, geel, lila, groen, rood, blauw en zwart. Daarmee contrasteerden deze kleurrijke ikat-stoffen met het wat grauwe landschap. Abstracte motieven, zoals grote concentrische cirkels en diagonale strepen, waren gebruikelijk. Eeuwenlang is deze textieltechniek in en rond de Ferghana-vallei uitgevoerd. Pas tijdens het Sovjet-tijdperk, toen grote groepen Turkmenen naar Afghanistan vluchtten, ontstond ook daar een zijde-industrie. De jas van Hamid Karzai is dus eigenlijk niet inheems.
In alle drie de gevallen is de khalat aan de randen afgewerkt met geweven of geborduurde banden, sheyraz geheten. De khalat wordt gedragen over een lang overhemd en een broek, terwijl als schoeisel vaak laarzen gebruikelijk zijn. Een muts van astrakan of een tyubiteika, een met borduurwerk versierd mutsje, completeert het geheel. Vaak doet men de khalat niet ‘aan’, maar slaat men deze losjes om de schouders, dus met de armen niet in de mouwen. We komen ook regelmatig khalats tegen met mouwen die bijna net zo lang als de jas zijn; bijzonder onpraktisch om daar de armen in te hebben!
De indrukwekkendste khalats zijn uitgevoerd in velours van kasjmier wol, versierd met goud- en zilverborduurwerk en gevoerd met ikatstof, een symbool van rijkdom en macht van de drager. Sommige khans (plaatselijke vorsten), zoals die van Boekhara, hadden eigen ateliers waar deze vervaardigd werden. Het rijke borduurwerk met goud- en zilverdraad werd uitgevoerd door mannen, omdat men geloofde dat vrouwenhanden het gouddraad zouden aantasten. Tegenwoordig wordt het borduurwerk in deze streek in ateliers juist door vrouwen gemaakt.
Tegenwoordig leven de Kuna’s in een kuststrook in het noorden-oosten van Panama, aan de Atlantische oceaan, en vooral op de San Blas eilanden, een groep van ruim 300 eilanden voor die kust. De Kuna’s komen van oorsprong uit Colombia, trokken, nadat de Spanjaarden rond 1500 de streek kolonialiseerden, naar de binnenlanden van wat nu Panama heet en vestigden zich later in de kuststreek en op de San Blas eilanden om het ongezonde klimaat en de muskieten in het tropisch regenwoud te ontvluchten.
De Kuna’s zijn animistisch (alhoewel christelijke zendingsdrift ook hier plaatselijk zijn invloed heeft) waarbij elk object (bomen, planten, dieren, grond) een praktische en een mythologische identiteit heeft. Dat verklaart ook het respect voor de natuur, die volgens het Kuna-geloof slechts voor verantwoord gebruik aan de Kuna’s ter beschikking is gesteld. Tradities en mythologie worden mondeling overgedragen via lange, gezongen verhalen tijdens nachtelijke dorpsbijeenkomsten.
De mola’s hebben niet altijd deel uitgemaakt van de cultuur van de Kuna’s. De ontwerpen van de mola’s zijn gebaseerd op de tatoeages die de Kuna’s op hun lichaam aanbrengen. Pas na de Spaanse kolonialisatie en onder invloed van missionarissen zijn de Kuna’s kleding gaan maken met de patronen die ook voor de tatoeages werden gebruikt; in eerste instantie in gedrukte vorm, later in applicatiewerk. Men denkt dat de oudste mola’s zo’n 150 tot 175 jaar oud zijn.
De patronen die voor de mola’s worden gebruikt weerspiegelen het gedachtegoed van de Kuna’s; ze zijn gebaseerd op de natuur en de mythologie en bevatten gestileerde afbeeldingen van dieren, planten en de leefomgeving van de Kuna’s. De ontwerpen evolueren mee met de ontwikkeling van de maatschappij: moderne mola’s bevatten ook ontwerpen die beïnvloed zijn door tijdschriften, advertenties of dingen uit het dagelijks leven in de grote stad. De meeste patronen zijn echter gebaseerd op de mythologie van de Kuna’s, waarbij men wel zegt dat de woorden van mannen de ontwerpen van de vrouwen worden.
Wat zijn mola’s eigenlijk precies? Een mola is een rechthoekig, horizontaal stuk textiel, gemaakt in omgekeerd applicatiewerk, dat gebruikt wordt voor de versiering van de blouses die de Kuna-vrouwen dagelijks dragen. Mola’s gaan daarom in paren: een voor- en een achterkant van de blouse. Als er een verschil is tussen de twee, dan wordt de mooiste mola gebruikt voor de rugzijde van de blouse. De mola wordt alleen gebruikt voor de romp; schouders en mouwen worden gemaakt van een gekleurde, katoenen stof (zie de foto’s).
Een mola wordt gemaakt in omgekeerd applicatiewerk. Hierbij worden twee of meer lagen gekleurde katoen van dezelfde maat op elkaar gelegd en vastgestikt. Vervolgens wordt het patroon uitgeknipt uit de bovenste laag stof, zodat op die plaatsen de onderliggende stof zichtbaar wordt. De rand van de bovenste laag stof wordt naar achteren omgeslagen en met fijne steekjes vastgezet op de eronder liggende stof. In die zin verschilt deze techniek van ‘gewoon’ appliceren, omdat bij die techniek de afbeelding wordt gevormd door kleine stukjes stof vast te naaien op een grotere ondergrond.
Een mola kan bestaan uit twee lagen katoen met een verschillende kleur, maar ook meer lagen komen vaak voor, soms meer dan zes lagen stof, waarbij telkens een patroon wordt uitgeknipt en afgewerkt om de kleur daaronder te laten zien. Belangrijk is daarbij het gebruik van fijngeweven katoen, zodat deze niet gaat rafelen. Hoe meer lagen een mola bevat en hoe fijner de afwerking, des te meer tijd kost het om zo’n mola te maken. De tijd, nodig om een mola te maken, varieert van twee weken tot zes maanden. Het is duidelijk dat hoe complexer een mola is, hoe kostbaarder die is, want behalve voor eigen gebruik worden de mola’s tegenwoordig ook aan toeristen verkocht.
De patronen van mola’s worden ingedeeld in groepen, gebaseerd op de afbeeldingen die ze weergeven. We onderscheiden de volgende groepen van patronen:
grootmoeders mola’s. Dit zijn mola’s met abstracte of geometrische patronen, geïnspireerd op de symboliek rond de voorouderverering.
Er zijn daarnaast mola’s met afbeeldingen van objecten, gereedschappen, huishoudelijke dingen of dagelijkse activiteiten. Bovendien ontwikkelt de mola zich nog steeds, want het is een levende kunstvorm die niet, zoals elders vaak gebeurt, alleen voor toeristen wordt uitgevoerd. Deze moderne mola’s putten hun inspiratie uit het moderne leven, tijdschriften en verhalen over de grote stad van Kuna’s die in Panama City werken of studeren.